De eerste maand
Wanneer begint de zwangerschap precies?
Om de duur van de zwangerschap te berekenen, vertrekt men steeds van de dag waarop de laatste maandstonden begonnen zijn. Voor elke kalendermaand telt men dan 30 of 31 dagen. Men kan de zwangerschapsduur ook uittellen in maanmaanden, dit zijn maanden van 4 weken of 28 dagen.
Gynaecologen zullen bij voorkeur het aantal weken tellen dat de maandstonden uitgebleven zijn en tellen dus eigenlijk in maanmaanden, wat ook veel nauwkeuriger is. Opgepast! In maanmaanden berekend duurt een zwangerschap natuurlijk tien (maan)maanden, en niet negen maanden.
Om het voor de lezer niet te ingewikkeld te maken, zullen wij hier werken met kalendermaanden want daarmee zijn wij het meest vertrouwd. Wij herhalen echter dat de wetenschappers meestal de weken tellen vanaf de laatste maandstonden. Zo kunnen ze nauwkeuriger de biofysische groei van de fœtus volgen.
Uit dit alles volgt dat men in de eerste helft van de eerste zwangerschapsmaand eigenlijk helemaal niet zwanger is. De bevruchting vindt inderdaad slechts plaats zo’n 14 dagen na het begin van de laatste menstruatie. Het is pas op dat ogenblik dat de zwangerschap echt van start gaat.
Omdat het bepaald moeilijk is met zekerheid de datum van de ovulatie te bepalen (laat staan het moment van de bevruchting) heeft men ervoor gekozen de duur van de zwangerschap te berekenen vertrekkend van een gemakkelijk herkenbaar moment : de aanvang van de laatste menstruatie. Het is wel zeer belangrijk dat de vrouw meldt of haar menstruele cyclus regelmatig verloopt (28 dagen), ofwel of haar cyclus langer of korter duurt, dan wel totaal onregelmatig van duur is. De gynaecoloog heeft deze informatie nodig om het begin van de biologische zwangerschap zo precies mogelijk te bepalen, en om de vermoedelijke datum van de bevalling te berekenen.
De eerste zwangerschapsmaand is uiterst kritisch voor het verdere verloop van de zwangerschap.
Heel wat menstruaties die wat laat optreden, soms met een bloeding die lichtjes verhoogd is, zouden kunnen wijzen op een zeer vroege zwangerschapsonderbreking.
De stadia vanaf de bevruchting tot aan de inplanting van de blastula (zo noemt men het bevruchte ei op het ogenblik van de innesteling) in de baarmoederwand vereisen een perfect samenspel van verschillende biologische functies. Natuurlijk moeten de vrouwelijke voortplantingsorganen anatomisch helemaal in orde zijn.
Denk maar even aan de voedingsbehoeftes van de blastula, die eigenlijk niets meer is dan een hoopje cellen dat zich zeer snel deelt. Onder de microscoop bekeken lijkt het wel een trosje moerbeien. Tijdens zijn eerste levensdagen stelt de blastula zich tevreden met de voedingsstoffen die hij vindt in het vocht van de eileider en de baarmoeder (niet veel meer dan water en suikers). Maar na zes dagen is het trosje moerbeien al zo groot dat het beslist wat steviger voedsel nodig heeft : de blastula heeft nu het moederlijke bloed nodig !
Dit verklaart waarom een inplanting zo broodnodig is : ze dient om het voedende bloed tot bij de vrucht te brengen. Het trosje cellen heeft nu reeds een hele weg afgelegd : doorheen de eileider naar de baarmoeder, waarin het zich nu bevindt. Als mechanische of andere hindernissen evenwel deze normale weg versperren, dan is het mogelijk dat de vrucht zich ergens anders bevindt : nog steeds in de eileider bijvoorbeeld, of in de baarmoederhals, of zelfs in de buikholte. Het kleine embryo wil, wat het ook koste, zonder verder uitstel gevoed worden en gaat zich dan op deze abnormale plaatsen inplanten, met alle nare en vaak gevaarlijke gevolgen vandien voor de gezondheid van de moeder (buitenbaarmoederlijke zwangerschap).
Verschillende aspecten van de inplanting zelf plaatsen ons nog steeds voor een fascinerend mysterie. Hoogst geavanceerde technieken zoals de kunstmatige bevruchting hebben heel wat problemen kunnen oplossen ; en toch is het geheim van de inplanting nog steeds niet achterhaald. Een bevrucht ei dat zich inplant in de uterus moet immers gezien worden als een weefsel-transplantatie. Het overgeplante orgaan is echter voor de helft afkomstig van de moeder (en wordt dus herkend als "eigen weefsel"), maar ook voor de helft afkomstig van de vader. Het is dus ook vreemd weefsel, onbekend voor het afweersysteem van de zwangere vrouw. In theorie zou het organisme van de moeder daarom de vrucht steeds moeten afstoten, net zoals vreemde organen afgestoten worden. Maar hier gebeurt het tegendeel : het bevruchte ei nestelt zich mooi in en dringt zelfs zeer diep door in de baarmoederwand, tot het de wanden bereikt van de bloedvaten die het dan nog gaat aantasten ook...
Onthaal









