Onthaal - FAQ - Wettelijke vermeldingen - Contact - Publiciteit/Partnerschap/Adverteerders - Uitschrijven


Zoeken

Meer dan 10.000 artikels, 6000 tips & weetjes, talrijke antwoorden van onze experten

De derde maand


Wat gebeurt er tijdens de derde maand?

Je babytje is nu 5 cm groot en weegt ongeveer 10 g. Het hoofdje begint zich af te scheiden van de thorax en neemt ongeveer 1/3e van het totale volume van het embryo in beslag. De neus, de oren en het kaaksbeen beginnen vorm te krijgen.

In het lichaam van het embryo ontwikkelen zich stilaan de beenderen, de spieren, de zenuwen en de grote bloedvaten. De buikwand is nog niet volledig gesloten wegens een hernia ter hoogte van de navel, maar de maag, de lever en de ingewanden zijn reeds herkenbaar. Verder vindt men er nog twee organen die later naar de borstholte zullen opschuiven: het hart, dat reeds vanaf de zesde of zevende week actief is, en de longen.

Ook de geslachtskenmerken zijn reeds in ontwikkeling. Het verloop ervan staat "geprogrammeerd" in de geslachtschromosomen XX of XY. Juister gezegd is het de aanwezigheid van het Y chromosoom in de oerkiemcellen die de vorming van de testikels en van het bijbehorende mannelijke zaadgeleidingsapparaat zal induceren.

Dit chromosoom zorgt er ook voor dat de vrouwelijke geslachtsorganen (eileiders, uterus en bovenste deel van de vagina), die ook in een mannelijk embryo in aanleg aanwezig zijn, verdwijnen.

In een vrouwelijk embryo daarentegen zal het de afwezigheid van het Y chromosoom zijn dat de primitieve geslachtsorganen in vrouwelijke richting zal doen ontwikkelen: de eileiders, de baarmoeder en de vagina worden gevormd.

In zekere zin worden "ontstaan" wij dus allen een beetje vrouwelijk: ieder individu draagt ten minste de mogelijkheden in zich om de secundaire vrouwelijke geslachtskenmerken te ontwikkelen. Enkel het al of niet aanwezig zijn van een stof van testiculaire oorsprong (MIF) zal deze basisontwikkeling tegengaan of niet; dit gebeurt tijdens de twaalfde zwangerschapsweek.

Het fenotype (de uitwendige mannelijke of vrouwelijke geslachtskenmerken) kan pas later met de echografie vastgesteld worden: zo rond de vijftiende week, als de uitwendige geslachtsorganen voldoende ontwikkeld zijn.

Op de plaats waar het eitje zich ingenesteld heeft, treedt intussen een heel speciaal weefsel in werking. Dat weefsel, de placenta, groeit heel snel en tast daarbij de baarmoederwand goed aan.

De placenta heeft de vorm van een schijf en gaat op het einde van de zwangerschap een doormeter hebben van 16 à 20 cm. Zijn gewicht zal dan ongeveer 500 - 600 g bedragen, dat is 1/6e van het lichaamsgewicht van de baby. Een zijde van de placenta is naar de baby gericht en de andere zijde hangt vast aan de baarmoederwand. De placenta vervult een belangrijke rol bij de uitwisseling van zuurstof en van voedsel tussen de moeder en de baby. Dit weefsel werkt als een soort overloopvat voor het bloed van de foetus: het bloed van de foetus raakt hier zijn afvalstoffen kwijt en neemt op zijn doortocht meteen zuurstof en voedingsstoffen op die de moeder hier ter beschikking stelt.

Er is echter geen enkel direct contact tussen de bloedsomloop van de moeder en dat van de foetus, en dit om aan de foetus een maximale bescherming te bieden tegen mogelijke infecties die de moeder zou kunnen oplopen. Elke uitwisseling gebeurt inderdaad door een dun membraan waar het bloed zelf niet doorheen kan. Enkel bepaalde stoffen gaan doorheen dit membraan. Een barrière van dit type, dat zeer selectief bepaalde stoffen doorlaat, wordt in de fysica een semi-permeabel membraan genoemd.

De placenta is eveneens een grote endocriene klier die op een voortreffelijke wijze de functie van het gele lichaam van de eierstokken vervangt. Maar de placenta doet nog veel meer: hij is een element van de materno-foeto-placentaire eenheid: een complex geheel dat zorgt voor het delicate evenwicht tussen het metabolisme van de moeder en dat van de foetus. De placenta beschikt daarvoor over een ruime verscheidenheid aan enzymen, die instaan voor de productie van verschillende hormonen in grote hoeveelheden. Dit zijn zowel hormonen met een eiwitstructuur (bijvoorbeeld de gonadotropinen) als steroïde hormonen (bijvoorbeeld oestrogenen en progesteron), afgeleid van de basisstructuur van cholesterol. Deze hormonen zijn uitermate belangrijk om de evolutie van de zwangerschap in goede banen te leiden.

Zo vervult bijvoorbeeld het placentair lactogeen hormoon een dubbele functie: het bereidt de melkklier van de moeder voor op de borstvoeding, maar het bevordert ook de groei van de foetus door de moeder minder gevoelig te maken voor insuline. Op die manier kunnen grote voorraden suikers en aminozuren naar de foetus afgeleid worden.

Het progesteron speelt dan weer een belangrijke rol bij het in stand houden van de zwangerschap. Men noemt het dan ook het "zwangerschapshormoon". Het progesteron houdt de samentrekkingen tegen van de gladde spieren van de baarmoederwand, en houdt dus het voortijdig inleiden van de bevalling tegen.

De oestrogenen daarentegen activeren de proteïnesynthese en zorgen voor nieuwe intercellulaire verbindingen precies ter hoogte van de uterus. Tijdens de laatste weken van de zwangerschap leveren ze op die manier voorbereidend werk met het oog op de inspanningen van de bevalling (wij zullen hier later dieper op ingaan).

De placenta is aan de foetus vastgehecht door middel van de navelstreng: een bindweefselstructuur met, bij de bevalling, een doormeter van 15 tot 20 mm en een lengte van 50 - 60 cm. De navelstreng heeft een typische spiraalvorm.

In de navelstreng lopen drie grote bloedvaten: de vena umbilicalis die het zuurstofrijke arteriële bloed van de placenta naar de foetus voert, en twee arteriae umbilicales die het zuurstofarme bloed met de afvalstoffen naar de placenta voeren. Daar wordt het bloed weer van zuurstof voorzien. De vena is twee tot drie keer volumineuzer dan de arteriae. Als de arteriae in de placenta aankomen, gaan ze zich vertakken, steeds fijner, tot zij de villi vormen. Ter hoogte van hun wand gebeuren de stofwisselingsprocessen en de uitwisseling van de zuurstof tussen de moeder en de foetus. In hun verdere loop gaan de villi weer samenlopen en grotere takken vormen, die zich verder samenvoegen om uiteindelijk de vena umbilicalis te vormen.

Wij hebben hierboven gezien dat de placenta een merkwaardig orgaan is omdat hij zeer snel groeit en een grote verscheidenheid aan functies vervult. In zekere zin kan men hetzelfde zeggen van de navelstreng. Sinds enkele jaren is duidelijk geworden dat die ook na uw zwangerschap, terwijl jij je kindje reeds de borst geeft, zeer kostbaar is.

Uit de navelstreng kan men inderdaad gemakkelijk een kleine hoeveelheid foetaal bloed halen, waarvan de cellen nog niet zeer gedifferentieerd zijn en zich sterk kunnen vermenigvuldigen. Deze eigenschap kan in welbepaalde gevallen zeer dienstig zijn, zoals bij patiënten met een bloedkanker (en deze aandoening treft vooral kinderen). Met het oog op een transplantatie moeten zij vaak zware behandelingen ondergaan die erop gericht zijn het immuunsysteem van het beenmerg te onderdrukken. Een transfusie met immunocompatibel foetaal bloed kan dan de ernstige risico’s op infecties en bloedingen inperken en op die manier de overlevingskansen van deze patiënten verhogen.

Om je medewerking te verlenen aan dit nobele werk volstaat het voor de bevalling in te stemmen met een afname van navelstrengbloed. Dit is een eenvoudige ingreep zonder enig risico voor jezelf of voor je baby. De bloedafname gebeurt enkele seconden na de geboorte en is volledig pijnloos. Er is dus geen enkele reden om je medewerking te weigeren.

Aller en haut.